|
|
|
|
|
|
 | Nieuwsbrief mei (2):
Inmiddels heeft Dhr. Peter Boskamp in de maand mei nog twee maal een nieuwsbrief geschreven, dus in deze nieuwsbrief "Duiven" vindt u eerst de twee aanvulling op de nieuwsbrief van mei en vervolgens nieuwsbrief juni (1).
| Chemotherapeutica
De laatste weken krijg ik regelmatig ook mailtjes van liefhebbers die een goede reeks prestaties ineens gevolgd zien worden door een geweldige dip.
Doorvragen levert dan als antwoord op dat er medicijn x, y of z preventief is gegeven. Vaak betreft het dan een middel voor het geel. Wat veel liefhebbers niet weten, of zich niet realiseren is, dat de resistentie tegen het geel de laatste tien tot vijftien jaar behoorlijk is toegenomen. Dierenartsen die zich met de medische begeleiding van de duivensport bezig houden zien zich dan ook genoodzaakt de sterkte van de medicijnen aan te passen aan de gewijzigde gevoeligheid van de parasieten en bacteriën voor deze medicijnen.
Niet alleen wordt de sterkte van de medicijnen daardoor vaak anders, ook de dosering moet meer en meer verhoogd worden. Tien jaar geleden was een 1/2 gram per liter drinkwater van het middel ronidazole 10% voldoende om effectief te zijn. Nu is een dosering van 2 tot 2,5 gram nodig om hetzelfde effect op de parasieten te hebben.
Wat mensen daarbij soms uit het oog verliezen is dat veel medicijnen voor duiven behoren tot de klasse van de chemotherapeutica. We noemen ze wel allemaal antibiotica voor het gemak, maar ronidazole is en blijft een chemotherapeuticum.
Ronidazole is een middel dat invloed op het erfelijke materiaal kan hebben en dat maakt dat we er met zijn alle verstandig en voorzichtig mee om moeten gaan. Ik hoor nu genoeg duivenliefhebbers die dit lezen denken: ‘ach wat, dat zal wel meevallen’. En natuurlijk valt het mee als we er verstandig mee om gaan en de voorschriften in acht nemen. Wat ik wil duidelijk maken is dat chemotherapeutica geen snoepgoed zijn. En als zodanig ook niet gebruikt moeten worden. Kortom, gebruik chemotherapeutica met beleid.
Ik tip dit onderwerp hier aan om ook te waarschuwen voor plotselinge tegenvallende prestaties na het gebruik van dit soort middelen, zeker nu het noodzakelijk is geworden door de kracht van de parasieten die er mee bestreden moeten worden, om de dosering te verhogen. De bijwerkingen van deze middelen komen dan ook meer op de voorgrond, met als gevolg een toenemende kans op vormverlies. Nu zijn de chemotherapeutica die we voor de duiven gebruiken niet te vergelijken met de middelen die in de tumortherapie in de ziekenhuizen worden gebruikt. Maar we begrijpen allemaal donders goed dat we van iemand die op het ziekenhuis een chemo(therapeutica)kuur heeft gehad niet mogen verwachten dat hij een topprestatie kan neerzetten.
Welbeschouwd is de noodzaak die is ontstaan om de medicijnen hoger te doseren teneinde hetzelfde effect te blijven bereiken, een reden te meer om meer te investeren in het gezond houden van de duiven, in plaats van het bestrijden van ziekten bij duiven waarbij de gezondheid en algemene weerstand onvoldoende aandacht hebben gekregen.
Basiscombinatie
Een punt van kritiek dat ons met betrekking tot onze voedingssupplementen wel eens bereikt is dat mensen die de producten niet kennen of er geen ervaring mee hebben wel eens willen verzuchten dat ze door de bomen het bos niet meer kunnen zien. Ik kan me bij deze opmerkingen wel iets voorstellen.
In de loop der tijd zijn er zoveel producten (bij) gekomen dat een scheiding tussen de diverse categorieën wel gewenst is.
We hebben daarom een aantal pakketten samengesteld. Een daarvan is de basiscombinatie. In dit pakket zijn een aantal voedingssupplementen opgenomen die welbeschouwd een goede basis kunnen bieden voor een meer natuurlijke aanpak. Het betreft de Bony-SGR, de Bony Basiskern, de BMT, de Bony M Mineralen Mix en de Bony-Omega-Nucleovit.
Met deze combinatie kan een ieder zichzelf overtuigen dat natuurlijk aanpak zin heeft.
Ondersteunende voedingssupplementen
Tot de ondersteunende voedingssupplementen die helpen de vorm te verhogen kunnen we de volgende producten rekenen. De Bony-mineral. Dit betreft een oplossing van vooral vloeibare chelaatmineralen die zeer goed benutbaar zijn.
De dosering is slechts 10 druppels op een liter drinkwater op de dag van en voor korven.
Als de vluchten zwaarder worden kan ook vluchtsupport worden verstrekt op de dag van en voor korven. Dit product bevat een hoge dosering vitamine B12. Catplus bevat dit ook maar bevat niet de aminozuren en het actief ijzer dat de vluchtsupport extra bevat.
Tot de voedingssupplementen die de conditie helpen bevorderen behoren de Bony-glutavit die zoals de naam aangeeft extra glutamine bevat.
De Topconditie, De Bony MR Supplement en de Bony-MR-Plus. Waarbij de producten achtereenvolgens ontwikkeld zijn voor de kortere, middel en langere afstanden.
Producten die op de langere termijn effect kunnen hebben zijn Bony Creatinepoeder en Bony Endurance. Het laatste product bevat octacosanol dat zoals ik in een vorige nieuwsbrief al schreef pas effect heeft als het gedurende een maand achtereen is verstrekt tijdens de trainingsfase.
Onthoudt echter wel: voedingssupplementen kunnen bijdragen aan de vorm, maar ze moeten niet gebruikt worden om de ziekte van duiven te verbloemen. Dus een eerste vereiste is en blijft dat de duiven gezond zijn. Laat daarom de duiven door uw duivenarts controleren of dit inderdaad het geval is voordat u geld uitgeeft aan supplementen die hun doel niet kunnen bereiken omdat de duiven niet optimaal gezond zijn. | |  |  |
|
|
 | | Nieuwsbrief mei (3):
Fondduiven
De medische begeleiding van de duivensport kent veel variaties, ofschoon dit doorgaans behoorlijk over het hoofd wordt gezien en alles veelal min of meer op een hoop wordt gegooid.
Het maakt natuurlijk nogal verschil of je over de medische begeleiding van vitesseduiven spreekt in vergelijking met fondduiven. Ook midfondduiven hebben een andere benadering nodig.
Kortom de soort wedstrijden waaraan duiven mee doen kan wel degelijk van belang zijn in relatie tot de medische begeleiding.
Ook de regelmaat waarmee de duiven mee moeten op de vluchten speelt een belangrijke rol. Hoe lang is de recuperatietijd. Het programma in Duitsland eist een snelle recuperatie en daar mag weinig aan het toeval overgelaten worden. De fondvluchten bieden wat dat betreft meer mogelijkheden en kunnen dus op een heel andere manier worden benaderd.
Door de medische begeleiding op een hoop te gooien halen we niet alle mogelijkheden eruit die er zijn, maar evenmin doen we de duiven recht.
Als we kijken aar de fondduiven dan dient de medische benadering totaal anders te zijn dan bij programmaduiven. Immers de programmaduiven moeten nu tiptop aan de start verschijnen, terwijl de fondduiven aan het begin van het seizoen vooral vliegkilometers moeten maken.
Desalniettemin hebben fondliefhebbers natuurlijk wel de morele verplichting om te zorgen dat hun duiven ook bij deze, voor hen, trainingsvluchten, gezond de manden in gaan. Het past dan niet om te stellen dat ze nog niets aan de gezondheid hoeven te doen omdat ze ‘er toch nog niet hoeven te staan’ . Dat mag vanuit eigen standpunt correct geacht worden, ofschoon ik zelfs dat betwijfel. Ook hier geldt weer de morele plicht ten opzichte van de collega duivenmelkers die met hun programmaduiven wel degelijk hun mannetje moeten staan en er niet op staan te wachten dat hun duiven een zware geelbesmetting oplopen omdat collega’s het (nog) niet zo nauw nemen met de gezondheidszorg. We moeten met zijn allen beseffen dat we in de duivensport met topsport bezig zijn en dat dit om zelfdiscipline vraagt.
Ik vind het vanzelfsprekend dat iedere liefhebber de collegialiteit moet opbrengen om geen zieke en verdachte duiven in te korven. Ook op die manier kunnen we het overmatige gebruik van medicijnen samen terugdringen.
Maar los daarvan is het een foutieve veronderstelling om er van uit te gaan dat men duiven die besmet zijn met trichomonas, wormen, coccidiose en om zelfs maar niet te spreken van luchtweginfecties, trainingskilometers kan laten maken omdat ze er toch nog niet hoeven te staan. Duiven die deze kwalen herbergen zullen een bovenmaatse inspanning moeten leveren die ten koste gaat van de spier- en vormopbouw. Deze duiven kunnen zich niet adequaat voorbereiden op het eigenlijke werk waarvoor ze gehouden worden. Om trainingsopbouw naar behoren en efficiënt te laten functioneren is het een eerste vereiste dat de duiven gezond zijn.
In het kader om het gebruik van medicijnen terug te dringen zijn we begin 2009 met een kleinschalig onderzoek begonnen om de veronderstellingen die we al lang hadden ook te kunnen aantonen. Een van deze veronderstellingen was dat een goede preventieve gezondheidszorg waarbij de nadruk ligt op het zo hoog mogelijk houden van de weerstand, het uitbreken van ziekte kan beperken en de noodzaak om antibiotica en chemotherapeutica in te zetten daardoor terugdringt.
Omdat de resultaten tot nu toe eigenlijk boven verwachting zijn, willen wij het één en ander al met u delen.
Begin 2009 vatten we het plan op om de duiven in de diverse categorieën te gaan vervolgen. Ik beperk me in dit verslag tot de fondduiven.
Verloop van het onderzoek
Het onderzoek beperkte zich tot een aantal fondduivenhokken. Enkele daarvan hadden in de jaren voorafgaand aan het onderzoek in het voorjaar vaak geelbesmettingen waarbij de infectiegraad zo hoog was dat ik soms bang was dat de trichomonaden er met mijn microscoop vandoor zouden gaan. Zo zwart zag het dan van de parasieten in het gezichtsveld. Zwaar kuren was dan ook vaak noodzakelijk in die gevallen.
We hebben in 2009 voor de kweek de duiven gecontroleerd op het geel, coccidiose en wormen. Waar nodig werd op de eieren de gebruikelijke geelkuur gegeven. De duiven kregen de Bony-SGR en de Bony omega 3 kweekolie.
De jongen uit deze duiven werden gecontroleerd op het geel en omdat deze vrij waren werd er geen medicament toegediend.
We beperkten ons bij deze jongen tot augustus tot de Bony M Mineralen Mix, Bony-SGR (2x per week) en Bony-Omega 3 kweekolie (2 x per week).
Na de fondvluchten van 2009 begon het eigenlijke onderzoek. De jongen zowel als de vliegduiven kregen Bony-SGR (2 x per week), Bony M Mineralen Mix, Bony-mineral (1 x in de 14 dagen 10 druppels) en BMT, Bony Basiskern en Nucleovit (1x per week). Dit laatste alle drie te samen over het voer. Verder voer van een gemiddeld goede samenstelling. En zuiver drinkwater op de dagen dat ze geen Bony-SGR kregen toegediend.
De combinatie van voedingssupplementen zoals beschreven moest er voor zorgen dat de duiven op een natuurlijke manier gezond werden gehouden.
Afgesproken werd dat er geen medicijnen werden verstrekt zolang er zich daartoe geen noodzaak aan zou dienen.
Om de noodzaak vast te stellen werden de duiven iedere 4-6 weken gecontroleerd. Hierbij werd de mest ook op kweek gezet. Daarnaast werd de mest microscopisch onderzocht, de duiven individueel beoordeeld en keeluitstrijkjes gemaakt. Omdat het een testonderzoek betrof werd ook bacteriologisch onderzoek van luchtwegen en krop verricht.
De verwachting was dat de duiven maar in beperkte mate klachten zouden vertonen tijdens de herfst en de wintermaanden.
Bij onderzoek kwam echter aan het licht dat de duiven op een enkele verdwaalde coccidie na, geen afwijkingen vertoonden. In december stonden de duiven er tiptop op. Ze waren voor de tijd van het jaar eigenlijk gemiddeld genomen te goed te noemen.
Wat ons verbaasde was dat ook het geel zich niet liet zien in deze hele periode.
Vanaf januari 2010 werden de duiven om de 4 weken bekeken. De jarige duiven hadden zich (mogelijk door de toepassing van de nucleovit zeer goed ontwikkeld en hadden zelfs meer body dan de oude kon men haast zeggen).
Het geheel van de basiscombinatie die gebruikt was leek zijn vruchten inderdaad af te werpen en de medicatie tot een minimum te kunnen beperken.
Er dient op gewezen te worden dat deze jongen uit 2009 vanaf hun geboorte tot op heden geen enkel medicijn toegediend hebben gekregen! Maar dan ook helemaal niets.
Het was natuurlijk ook van belang om te weten hoe deze duiven zich zouden houden tijdens de invliegvluchten. De duiven waren afgelopen week gemiddeld drie keer ingekorfd door de respectievelijke liefhebbers toen ze op maandelijkse controle kwamen. Ik heb nog niet alle duiven teruggezien maar van de duiven die ik terugzag was er slechts één enkele die nu enkele geelparasieten bij zich droeg. Het betrof een jaarling die dus nog nooit iets tegen het geel had ontvangen.
De overige duiven waren schoon op de luchtwegen en slechts één van de andere duiven vertoonde een lichte irritatie op de luchtwegen.
We kunnen met een grote mate van zekerheid zeggen dat deze duiven de genoemde infecties en irritatie in de transportmanden hebben opgelopen.
We kunnen dan ook de conclusie trekken dat controle tijdens de wedvluchten in geval van een medische begeleiding waarbij de duiven met een minimum aan medicatie worden begeleid, wel noodzakelijk blijft.
Als we nu zien dat we in mei zitten dan kunnen we dus stellen dat het bij fondduiven volstrekt mogelijk moet zijn deze duiven vrij te houden van luchtweginfecties en andere veel voorkomende ziekten van duiven door ons te richten op een verbetering van de afweer en het optimaliseren van de gezondheid in preventieve zin. En daartoe, zo blijkt uit dit kleinschalig onderzoekje, zijn veelal geen medicijnen noodzakelijk.
De genoemde oudere fondduiven hebben dus nu al 9 maanden volstrekt geen medicatie gehad.
In het verloop van dit onderzoek krijgen de duiven die aangetast zijn een individuele behandeling om het effect van de diverse vluchten op de gezondheid van de duiven goed in beeld te kunnen brengen. De ene duif die nu een lichte geelbesmetting had is wel individueel behandeld om te zorgen dat de duif in de manden geen verspreider wordt van het geel, ook al had hij slechts enkele parasieten in het keeluitstrijkje.
Nadat deze duiven de komende invliegvluchten (we leven nu rond 1 mei als ik dit schrijf) achter zich hebben, worden ze nogmaals bekeken en vanaf daar worden ze klaar gemaakt voor het eigenlijke werk, de fondvluchten.
Daarbij wordt indien noodzakelijk gericht gewerkt met medicijnen, maar vooral met voedingssupplementen die de vorm verbeteren en ondersteunen.
De bedoeling is dat we gaan zien en/of bewijzen of een minimalistische toepassing van medicijnen, maar een verstandige en gerichte toepassing van voedingssupplementen de duiven verder brengt, dan het frequent inzetten van medicijnen zoals zo vaak gedacht wordt door de aanhangers van de medicijnpotjes.
Mogelijk dat boze tongen na lezing van bovenstaande willen beweren dat ik voor eigen parochie sta te preken. Niets is minder waar. We hebben bovenstaande basiscombinatie in de loop der tijd ontwikkeld en zien dat de werkzaamheid goed te noemen is. Er zullen ongetwijfeld ook andere combinaties zijn met natuurlijke middelen die zich bewezen hebben. Waar het mij alleen om gaat is aan te tonen dat het niet noodzakelijk is de duiven vol te stoppen met medicijnen, mits we maar zorgen dat de basisweerstand van onze topsporters goed blijft. | |  |  |
|
|
 | | Nieuwsbrief juni (1):
Herpes-virus
Aan het Herpes-virus heb ik al meerdere nieuwsbrieven gewijd. Toch blijven er heel vaak vragen over binnenkomen. Zeker nu de omvang van de uitbraken duidelijk lijkt toe te nemen. Genoeg redenen dus om deze vervelende kwaal opnieuw in het voetlicht te plaatsen.
Ik wil deze keer echter vooral een praktische benadering kiezen, zodat het verhaal minder “een ver van mijn bed show” wordt, want menigeen heeft bij zijn duiven te maken met dit virus zonder dat men het zelf weet of in de gaten heeft. Het enige wat op kan vallen is dat de duiven niet goed willen trainen ondanks dat men er alles aan gedaan lijkt te hebben om ze in de juiste vorm te krijgen.
Waar we sinds 2005 zo rond eind mei en juni de meeste gevallen zagen bij vooral de jonge duiven waren dit jaar de eerste uitbraken al in februari te zien. Deze gingen gepaard met behoorlijke verliezen. Bij sommige liefhebbers kregen de jongen nagenoeg allemaal de typische beslagen in de bek en keelholte.
Veel patiënten waren dan al niet meer te redden. Alleen met veel moeite en inspanning lukte het de jongen erdoor te krijgen (dwangvoeding met een speciale pap etc.)
Gedurende het hele voorjaar bereikten ons berichten en zagen we duiven op het spreekuur met typische verschijnselen van het herpesvirus. Maar er waren ook genoeg gevallen waar het een vermoeden was dat herpes een rol speelde.
Als er een herpesvirusinfectie op een hok rondwaart kan deze nagenoeg symptoomloos verlopen. Zeker in de maanden buiten het vliegseizoen. Het enige wat in die periode dan opvalt is dat de duiven een tikkeltje lusteloos zijn.
Maar ook in die rustige periodes kunnen er duiven tussen zitten met de typische geelwitte beslagen in de bek. Veel liefhebbers denken dan aan een besmetting met het geel en kuren hier dan tegen zonder effect. Meerdere keren ben ik dan ook opgebeld door een liefhebber die me meldde dat de duiven niet goed op een geelbehandeling reageerden. Meestal werd deze mededeling gevolgd door de vraag of er soms een zwaarder middel te krijgen was.
In het rustige seizoen kunnen de symptomen dus best meevallen. Zeker bij de oudere duiven en jaarlingen. Maar zoals gezegd zagen we dit jaar al vroeg vrij ernstige gevallen.
Tijdens het vliegseizoen kunnen deze milde gevallen best al voor grote problemen zorgen. Men heeft alles gedaan wat men moest doen om de duiven gezond aan de start te krijgen. Zo nodig na onderzoek een geelkuur. Soms zegt een dierenarts zelfs dat de kelen iets te rood zijn. Maar op een vraag of de duiven slecht trainen valt vaak te horen dat het beter kon, maar dat het nog wel meevalt.
Verder onderzoek levert dan vaak weinig op. Wat streptococcen of staphylococcen bij een bacteriologisch onderzoek. Moeten de duiven presteren dan geven ze niet thuis. Ze komen veel te laat en zelfs ervaren duiven blijven achter. Ook als de weersomstandigheden niet tegenzitten. Maar als dat ook nog het geval is dan kunnen de verliezen fors zijn.
Als de duiven te laat komen wordt vaak een luchtwegkuur gegeven aan de duiven. Maar de week later blijven er weer (teveel) duiven achter. “Hoe kan dat nu? Volgens mij is die kuur niet sterk genoeg…” is een dan veel gehoorde opmerking.
Als je als duivenarts de duiven dan onderzoekt vind je in de krop vaak meer ontstekingscellen dan normaal. De mogelijkheid wordt geopperd dat er dus Herpes in het spel kan zijn.
“Dan doet U me daar maar een goede kuur voor”, krijg je dan vaak te horen.
Maar helaas Herpes is een virusinfectie en net als bij de griep moeten de duiven het uitzieken. En dat kost tijd. En tijd heeft een duivenmelker in het seizoen niet. Er moet immers een onmiddellijke oplossing komen.
Dat alle antibiotica die in deze gevallen voorgeschreven worden alleen maar de secundaire (is bijkomende) infecties behandelen wil men liever niet horen.
“Maar die en die heeft een kuur gekregen en na een paar dagen vlogen de duiven best weer.” Dat kan best. De oorzaak is dan gelegen in het feit dat de kuur de secundaire infecties heeft weggewerkt en de duiven zelf afweer hebben opgebouwd tegen het virus.
Maar normaal gesproken heeft een herpesinfectie tijd nodig om door het hele hok te trekken. Maar het heeft ook tijd nodig voordat de duiven weer de oude zijn. Met en zonder ondersteuning door antibiotica. Naarmate de duiven jonger zijn duurt de genezing ook langer.
Herpes bij jonge duiven is een verhaal op zich. De jongen kunnen lekker vliegen rond het hok. Kogelrond ingekorfd worden om dan ’s zondags voor een derde tot de helft niet meer thuis te komen. Allerlei reden hiervoor worden dan gezocht. Zeker als het massaal gebeurt.
Vaak zijn het maar een of twee jonge duiven op een totaal van honderd die de typische beslagen in de bek krijgen.
Soms beginnen de jongen met overgeven. Gelet op de tijd van het jaar wordt dan snel geroepen. “Ik heb de coli aan mijn jongen, maar ze reageren niet op de kuur’
In Duitsland wordt dan ook een betere term gebezigd: “Juntierkrankheit”. Want de laatste jaren zien we steeds meer mengvormen met zowel, Streptococcen, E. Coli al dan niet met het Adenovirus en het Herpesvirus. Soms doen ook nog Hexamiten en Trichomonen een duit in het zakje en dan kun je met recht spreken van het Jongdiercomplex.
Maar goed, het zal je maar gebeuren dat je jongen voor een kwart tot een derde achterblijven op de eerste de beste vlucht. Wat moet je in die gevallen nu net niet doen? Juist ja, de rest door blijven spelen. De kans is namelijk groot dat de week erop de besmetting op uitbreken staat bij de overgebleven duiven waardoor er weer jongen achterblijven. En daar houden we de jongen toch niet voor. Het beste advies is dan om de jongen dan bij de late jongen te spelen. Ze hebben dan de infectie verwerkt en kunnen de vluchten aan.
Ik mag hopen dat het dit jaar mee zal vallen, maar als ik zie dat we al vroeg in het seizoen met dit virus te maken hadden zou dit wel eens ijdele hoop kunnen zijn.
Goed, ik doe mijn verhaal in de kliniek en krijg dan steevast te horen. ‘Ja maar dokter, is er dan echt geen medicijn dat u kunt voorschrijven?’
En dan probeer ik nogmaals uit te leggen dat het om een virus gaat en dat de jongen mogelijk sneller genezen met een medicijn omdat de bijkomende infecties weggenomen worden maar dat dit geen garantie is dat ze snel weer de oude zullen zijn.
Geduld is in deze het beste medicijn. Kunnen we dan echt niets doen?
Natuurlijke aanpak
De weerstand verhogen helpt dat dan niet? Zeker helpt dat. Neem nou de liefhebber die een nieuwe stam duiven wilde opbouwen. Hij had bij diverse vooraanstaande liefhebbers hele mooie jongen op de kop weten te tikken en had die bij elkaar op het hok gezet. Om ze zo goed mogelijk te ondersteunen had hij de kaarten ingezet op een gedegen natuurlijke ondersteuning. Zuren, weerstandondersteunende middelen enzovoort. Geen medicijnen. De jongen gingen hartstikke goed. Een lust voor het oog. Totdat er enkele mager werden en uitvielen. Toen dit aantal opgelopen was tot vijf in drie weken consulteerde hij me. Ik sprak het vermoeden uit dat er herpes in het spel was, ook omdat de duiven er verder piekfijn opstonden en goed aanvoelden.
Je zou dan kunnen zeggen dat die weerstandverhogende middelen ook niet helpen. De duiven hebben het virus immers toch opgelopen. Ik vind zoiets dan kortzichtig. De duiven maken het virus door en enkele zwakkere broeders kunnen het niet bijbenen. Selecteren is dan mijn advies. Niet gelijk met de medicijnpot erover heen. Herpes is een virus.
Hokken waar bovenstaand scenario speelt maar waar geen weerstandondersteunende maatregelen worden getroffen daar zie je vaak dat de jongen veel verder terugzakken en de bijkomende infecties veel meer grip krijgen op de diertjes waardoor medicinaal ingrijpen dan absoluut noodzakelijk wordt om te voorkomen dat de jongen aan de bijkomende infecties ten gronde gaan.
Praktijk ervaring wijst uit dat een natuurlijke ondersteuning van de jongen bij een herpesuitbraak de schade wel degelijk kan helpen beperken. Zelf sta ik voor jongen duiven achter de combinatie,
Bony-Sambucca-plus, Bony Basiskern, BMT, Bony Probiotica en Nucleovit of Oregano. Maar er zijn ook andere mogelijkheden. Waar het om gaat is dat we de duiven het gereedschap geven om de aanval van het virus zo goed mogelijk te doorstaan.
Krijgen de secundaire infecties de overhand dan kan een medicijnkuur noodzakelijk zijn. Deze moet dan wel voldoende lang gegeven worden om terugval te voorkomen.
Zelf ben ik in dit soort gevallen absoluut geen voorstander van Baytril. Immers het betreft een virusinfectie en daar werkt Baytril ook niet tegen. Baytril en jonge duiven is geen ideale combinatie.
Achtergrond van het virus
Het herpesvirus staat wetenschappelijk bekend als DHV1. Veel van de infecties met het herpesvirus verlopen subklinisch. Er zijn veel duiven latent besmet met het herpesvirus.
Herpesvirussen kunnen zich terugtrekken tot langs de zenuwbanen. Ze kunnen daar als het ware in rust gaan. De dieren zijn dan zgn. latent besmet. Deze duiven hoeven dan ook absoluut geen ziekteverschijnselen te vertonen. Als er echter (kortstondige) stress optreedt kan het virus zich plotseling gaan manifesteren. De duiven kunnen als de weerstand niet hoog genoeg is dan de typische beslagen in de bek krijgen. De dieren gaan dan massaal virus uitscheiden waardoor andere duiven met een verminderde weerstand het virus oplopen. De infectiedruk stijgt.
Als dergelijke duiven in een transport zitten kan het virus ongeveer een week later bij de andere duiven die ook in de duivencabines zaten problemen veroorzaken, al dan niet met zichtbare verschijnselen.
Normaal gesproken is het zo dat de jongen al vroeg besmet worden, vaak al bij het azen door de ouderdieren. Ze hebben dan nog bescherming door de afweerstoffen die ze van de ouders hebben meegekregen (zgn. maternale antistoffen). Er treden dan meestal geen klinische verschijnselen op maar de duiven blijven wel levenslang besmet.
Klinische verschijnselen zijn te verwachten bij duiven die geen antistoffen hebben, zodra deze met het virus in aanraking komen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als aangekochte jongen bij de eigen jongen worden geplaatst. Na 5-7 dagen kunnen dan ziekteverschijnselen optreden. Wanneer er dan sterke virusvermeerdering plaats vindt kan de infectiedruk zo hoog oplopen op het hok dat ook eigen jonge duiven met weinig antistoffen ziekteverschijnselen gaan vertonen. Het virus kan op deze wijze lange tijd actief blijven op een hok. Met alle gevolgen van dien natuurlijk voor het jonge-duivenspeelseizoen. Het herstel bij een zwaardere virusbesmetting kan wel één tot drie weken duren.
Zoals gezegd zal tijdens stresssituaties, zoals die optreden bij transporten in de manden, de duiven deze virussen massaal gaan uitscheiden. Dit zal natuurlijk eerder gebeuren als de duiven weinig weerstand hebben en/of andere ziekten in meer of mindere mate herbergen. Het is dan in de aanloop naar de opleervluchten verstandig de duiven te laten nazien op verborgen kwalen, zodat deze tijdig bestreden kunnen worden, indien nodig, om in geval van een besmetting met het herpesvirus sneller hiervan te kunnen herstellen.
Onderzoek in Duitsland heeft uitgewezen dat in de maand juli een piek bereikt wordt in de uitscheiding van het virus tijdens het vervoer en dat dan wel tot 60% positieve mestmonsters gevonden kunnen worden.
Meer dan 50% van de duiven heeft antistoffen tegen dit virus.
Uit eigen ervaring weten we dat het belang van het herpesvirus de laatste jaren begint toe te nemen. Niet alleen zien we al vroeger gevallen dan gebruikelijk, ook lijkt de ernst van de uitbraken toe te nemen. Het lijkt erop dat ieder jaar meer jonge duiven achterblijven. Sommige verdwijnen zelfs (massaal) aan huis.
Met name jonge duiven tussen de 2 en 10 weken kunnen klinische verschijnselen gaan vertonen.
Symptomen
Als we het totale symptomenbeeld hier opsommen, moet men bedenken dat dit maar in een beperkt aantal van de gevallen als zodanig voorkomt. Veelal is er slechts een fractie van deze verschijnselen waarneembaar. Dat maakt het stellen van een Herpesvirusbesmetting daarom vaak tot een moeilijk te stellen diagnose aan de hand van alleen de klinische verschijnselen. Zeer typische herpesverschijnselen uiten zich met gelige beslagen in de mond en keelholte. Deze beslagen liggen in tegenstelling tot difterische beslagen of beslagen bij zeer ernstige geelbesmettingen (die tegenwoordig nog maar zeer sporadisch voorkomen) als een vliesje los op het slijmvlies van de mond, tong en keel. Het virus geeft dus vooral aantasting van de voorste luchtwegen, de mond- en keelholte, de luchtpijp, de krop en de slokdarm. Door de aantasting van de krop kunnen de duiven nauwelijks voer verteren en de eetlust verdwijnt daardoor ook bijna geheel. Hoewel het dus vooral een ziektebeeld is dat we zien bij duiven tussen de twee en de tien weken, kunnen deze verschijnselen ook voorkomen bij oudere duiven. Bij heftige uitbraken kan meer dan de helft van de duiven sterven aan de gevolgen van de virusbesmetting. Maar de mate waarin de verschijnselen optreden is ook afhankelijk van de weerstand van de duiven en zeker ook van de kracht (virulentie) van het virus. Dit laatste varieert nogal eens zodat de mate waarin de verschijnselen optreden ieder jaar nog wel eens kan variëren. Vaak hebben we slechts te maken met milde symptomen waarbij we soms als enige het vliesje voor het oog zien.
Andere aandoeningen waarbij we dus beslagen in de bek kunnen aantreffen zijn het Geel, de Pokkendifterie en Candidiasis. En af en toe ingedroogd slijm na een zware vlucht. Bij Pokkendifterie en het Geel zijn de beslagen toch meer kaasachtig en hebben daardoor toch een ander aspect.
Omdat het merendeel van de Herpesvirusinfectie toch nog steeds een redelijk mild verloop hebben, is de rol van dit virus vooral van belang in het geheel van het Ornithose-complex. Tegen het virus zelf is namelijk weinig of niets te beginnen. Hebben we te maken met een ernstige besmetting dan wordt preventief medicatie gegeven om de duiven te ondersteunen om op die manier te voorkomen dat ze aan bijkomende infecties te gronde gaan. Is er sprake van waardevolle duiven dan kan men trachten om middels het toedienen van Acyclovir gedurende een tiental dagen de ernst van de aandoening te temperen en de invloed van het virus enigszins te beteugelen. Wonderen moet men dan niet verwachten. Daarnaast kan men bij ernstig aangetaste duiven de individuele dieren ondersteunen met Marbocap en Synulox. Een vaccin tegen het Herpesvirus is in de Benelux en Duitsland helaas ook nog niet beschikbaar, zodat we enkel kunnen trachten de gevolgen van secundaire (bijkomende) infecties te beteugelen. In geval van een Herpesvirusinfectie kan het van nut zijn het hok te ontsmetten met Koudijs Rooktablet of met de Biologische vernevelaar. Mogelijk dat op deze manier de infectiedruk van het virus iets wordt vermindert doordat de hoeveelheid vrij zwevende virusdeeltjes wordt vermindert.
Zoals eerder vermeld speelt het Herpesvirus voornamelijk zijn rol in het geheel van het Ornithose-complex. Omdat tegen enkele ziekteverwekkers die onderdeel zijn van het Ornithose-complex wel medicijnen bestaan is menig duivenliefhebber geneigd te denken dat er ook tegen het Herpesvirus medicinaal kan worden opgetreden. Dit is een hardnekkig misverstand dat soms tot nogal wat frustratie bij liefhebbers kan leiden. Het geven van medicijnen in geval van een overwegend Herpesbesmetting is zonder meer raadzaam om erger door bijkomende infecties te voorkomen. Maar het is en blijft een illusie te denken dat we de infectie met antibiotica kunnen genezen.
De aandachtige lezer zal het nu wel duidelijk zijn dat het ook bij deze infectie vooral aankomt op preventie. Preventie houdt in dit geval ook weer in dat we moeten zorgen dat we de weerstand van de jonge duiven zo hoog mogelijk moeten zien te houden waardoor de duiven zelf zo veel mogelijk in staat zijn om zo snel mogelijk van de virusbesmetting te herstellen. Het is evenwel niet zo dat als we preventief weerstandsverhogende middelen geeft zoals de Bony-Sambucca-plus, Oregano of Bony Basiskern dat men dan verzekerd is dat men gevrijwaard blijft van het Herpesvirus of andere virussen. Wel zorgt men op deze manier dat de duiven meer gereedschap in handen krijgen om zelf af te rekenen met deze aanvallers. Het herstel van deze besmettingen zal daardoor zeker bespoedigd worden zo blijkt in de praktijk. Wees er dus alert op dat er sprake kan zijn van een Herpesvirusuitbraak. Wees er zeker alert op indien u vindt dat de duiven maar slecht van hun “Coli-besmetting” af te helpen zijn. We zien steeds vaker liefhebbers die er van overtuigd zijn dat er sprake is van een besmetting met het Adenovirus, al dan niet verergerd door een E. Coli-besmetting terwijl er in werkelijkheid sprake is van een Herpesvirusbesmetting. Rust is van groot belang bij een agressieve Herpesvirusuitbraak om te voorkomen dat er onnodig veel duiven achterblijven tijdens de (leer-)vluchten.
Ons advies bij (Herpes)-virusinfecties:
- Preventief de weerstand voor het seizoen zo hoog mogelijk zien te houden door bijvoorbeeld Bony-SGR te verstrekken. Het is dus geen garantie dat de besmetting niet kan plaatsvinden maar doorgaans zijn de duiven sneller hersteld.
- Voor de opleervluchten de infectiedruk van secundaire infecties zo laag mogelijk houden door indien nodig te kuren tegen aanwezige andere infecties, zoals het Geel, Hexamitiasis en Coccidiose.
- Na de wedvluchten preventief ontsmetten. Dit geldt dan met name als er sprake is van een hoge infectiedruk in de eigen vereniging. Immers neemt de kans op uitbraken toe als er meer verborgen kwalen aanwezig zijn.
- In geval van een uitbraak van het Herpesvirus de duiven op rust zetten en uit laten zieken. Te vaak worden duiven die er op het oog nog goed uitzien, de week na de desastreuze verliezen toch nog ingekorfd waarna de teleurstelling van de week eerder zich kan herhalen.
- Is er sprake van een ernstige uitbraak dan kan het nuttig zijn om te kuren tegen secundaire (is bijkomende) infecties zodat de dieren ook niet nog eens met deze kwalen zwaar de strijd moeten aanbinden. Ook extra vitaminen en of Bony-Sambucca-plus kunnen ondersteunend werken.
- De duiven zelf africhten om onnodige verliezen te voorkomen en/of de jongen pas spelen bij de volgende ronde.
Al met al kunnen we stellen dat de problematiek rond het Herpesvirus ernstiger lijkt te worden. Mogelijk dat de uitbraken van het Circovirus, die sedert het begin van deze eeuw meer en meer optraden, een rol hebben gespeeld bij het ernstiger worden van de verschijnselen van het Herpesvirus. Immers een twintigtal jaren geleden maakte weinig duivenartsen zich echt zorgen over dit virus. Het is te hopen dat er toch nog een firma is binnen de medicijnenindustrie die de duivensport een warm hart toedraagt waardoor men zich geroepen voelt ook in onze regio’s een vaccin tegen dit virus op de markt te brengen. Het zou mogelijk veel frustraties kunnen voorkomen.
Succes, Dierenarts Peter Boskamp.
Alle in de tekst gelinkte producten kunnen via de webwinkel bestelt worden, maar afhalen in onze winkel te Sluis kan natuurlijk ook!
| |  |  |
|
|
|
|
|